|
REVUE HOSPITALS.BE
STRESSFACTOREN BIJ ARTSEN
IMPACT VAN SUÏCIDE OP PSYCHIATERS IN OPLEIDING
PAR GUIDO PIETERS, VÉRONIQUE DE GUCHT, STAF JOOS ET ELKE DE HEYN Guido Pieters is verantwoordelijke geneesheer CGGZ Vlaams-Brabant-Oost, vestigingsplaats UCGC Leuven, volwassenen en diensthoofd gedragstherapie, U.C. Sint-Jozef, Kortenberg.
----------
De laatste jaren wordt veel aandacht besteed aan arbeidskwaliteit en stressfactoren op het werk. Een suïcide van een patiënt is voor elke hulpverlener in de psychiatrie één van de grootste stressfactoren.
----------
Uit Amerikaans onderzoek(1) bleek dat 51% van de bevraagde psychiaters reeds de suïcide van een patiënt had meegemaakt. De helft hiervan meldde gedurende de weken na de suïcide een stressniveau vergelijkbaar met de ervaren stressniveaus bij het recente overlijden van een ouder. Uit deze studie bleek ook dat jongere en minder ervaren psychiaters meer last hadden van schuldgevoel, verminderd zelfvertrouwen en het vermijden van sociale contacten. Hieruit kunnen we veronderstellen dat de zelfmoord van een patiënt nog een grotere invloed zal hebben op psychiaters in opleiding.
Bij een Schotse studie(2) had 68% van de psychiaters reeds de suïcide van een patiënt meegemaakt die bij hen in behandeling was. 33% gaf aan hierna gekampt te hebben met slaapproblemen, een gedrukte stemming of prikkelbaarheid, en 15% overwoog een vervroegde pensionering ten gevolge van een zelfmoord. Collega's en familie of vrienden boden de meeste hulp bij de verwerking van het gebeuren, net als teambesprekingen.
Verschillende studies bij psychiaters in opleiding in de Verenigde Staten(3), het Verenigd Koninkrijk(4)(5)(6) en Australië(7), bevestigen niet alleen de hoge prevalentiecijfers van ervaring met suïcide maar ook de impact op professioneel en persoonlijk gebied. De prevalentiecijfers van ervaring met suïcide van patiënten variëren tussen 33%(3) en 68%(7).
Ondanks methodologische verschillen was de gemiddelde impact in deze studies toch aanzienlijk, met scores van matig tot hoog, zowel op het moment van de zelfmoord als op het moment van het invullen van de vragenlijsten(6).
Dewar(5) deed ook onderzoek naar de training in verband met suïcide die psychiaters in opleiding in Schotland kregen. 96% had opleiding gekregen over risico-inschatting van suïcide en 28% had enige opleiding gehad in het post-incidentbeleid van suïcide.
Het doel van deze studie is de frequentie en de impact van ervaringen van assistenten psychiatrie in Vlaanderen met suïcide van patiënten in kaart te brengen en na te gaan of zij enige opleiding hebben genoten in het inschatten van het suïciderisico en over de klinische en beleidsaspecten die in overweging moeten genomen worden na de zelfmoord van een patiënt. De verkregen cijfers in verband met prevalentie en impact van suïcide werden vergeleken met die uit de hierboven besproken studies.
ONDERZOEKSMETHODE
In het voorjaar van 2001 werd een vragenlijst verstuurd naar alle assistenten psychiatrie (zowel kinder- als volwassenenpsychiatrie) in opleiding in Vlaanderen (n = 163). De vragenlijst van Dewar(5) e.a. werd vertaald en licht aangepast aan de situatie in Vlaanderen, maar de inhoud werd grotendeels behouden, om de resultaten te kunnen vergelijken met het Schotse onderzoek.
De vragenlijst van 13 bladzijden bestond uit vier delen: een eerste deel waarin naar persoonlijke gegevens werd gevraagd, een tweede deel waarin de persoonlijke opinie werd bevraagd in verband met voorspelbaarheid en voorkombaarheid van suïcide, en de opleiding die men heeft gekregen in verband met zelfmoord, en een derde deel met vragen over de kenmerken en impact van de meest pijnlijke suïcide die men heeft meegemaakt. Daarbij werd gebruikgemaakt van een Nederlandse versie van de Impact of Event Scale(8), bestaande uit 15 vragen over vermijding en intrusieve symptomen van posttraumatische stress met een totaalscore variërend van 0 tot 75, om de resterende emotionele impact te meten. Een totaalscore van 20 of meer wordt beschouwd als klinisch significant.
In een laatste deel konden de respondenten vrije commentaar kwijt.
RESULTATEN
Een totaal van 114 assistenten stuurde de ingevulde vragenlijst terug, goed voor een responspercentage van 70%. 42% van de respondenten waren mannen.
73 % specialiseerden zich in volwassenenpsychiatrie, 27% in kinderpsychiatrie. 20% van de ingevulde vragenlijsten kwam van eerstejaars-, 21% van tweedejaars-, 19% van derdejaars-, 17% van vierdejaars-, 20% van vijfdejaars- en 3% van zesdejaarsassistenten.
Algemene opvatting en opleiding i.v.m. suïcide
Op de vraag hoe voorspelbaar men in het algemeen suïcide van patiënten vond, antwoordde 4,4% met helemaal niet, 72,8% met in beperkte mate en 22,8% met in grote mate. 1,8% vond dat suïcide van patiënten over het algemeen niet voorkomen kan worden, 69,9% in beperkte mate en 28,3% in grote mate.
43,9% vermeldt enige opleiding te hebben gehad in het inschatten van het risico op suïcide. 80% van de assistenten vond deze opleiding matig tot zeer nuttig, 20% beperkt nuttig. Slechts 9,6% vermeldde enige opleiding te hebben gekregen in verband met aspecten die na de suïcide van een patiënt moeten in overweging genomen worden. Een aantal hiervan gaf aan deze opleiding tijdens een stage in het buitenland te hebben gekregen, met name in Nederland en in Groot-Brittannië. Slechts bij drie respondenten was in deze training ook informatie over het effect van suïcide op het personeel inbegrepen.
44% van de respondenten kreeg reeds te maken met de suïcide van een eigen patiënt, 57% was van nabij betrokken bij de suïcide van een patiënt die niet hoofdzakelijk door hen werd behandeld. In totaal waren 79 van de 114 respondenten (69,3%) op directe en/of indirecte wijze betrokken bij de zelfmoord van een patiënt. Het totaal aantal meegemaakte suïcides varieerde van 1 tot 9. Het gemiddelde aantal suïcides per assistent bedraagt 1,8. Reeds tijdens het eerste jaar is de kans 3/10 dat de psychiater in opleiding met een suïcide geconfronteerd wordt. Na 2 jaar opleiding neemt deze kans toe tot 5/10. Na vijf jaar is de kans 7/10.
De meest pijnlijke suïcide
Aan de assistenten die al één of meer suïcides hebben meegemaakt, werd gevraagd om stil te staan bij de meest pijnlijke suïcide. De betrokken patiënten zijn voornamelijk jongvolwassenen, waarbij 70% zich bevindt in de leeftijdsgroep van 15 tot 40 jaar. 57% waren mannen. Bij 46% werd een stemmingsstoornis gediagnosticeerd, 23% had een psychotische stoornis. Van 40% was bekend dat ze reeds eerder suïcidepogingen hadden ondernomen. 68,4% was voltijds gehospitaliseerd op het moment van de suïcide, 10,1% was dagpatiënt en 21,5% ambulant. 12,7% van de voltijds gehospitaliseerden was gedwongen opgenomen op het moment van de suïcide, 20% verbleef op een gesloten afdeling, 55% stond onder verhoogde observatie. 46% van de suïcides bij gehospitaliseerde patiënten gebeurde op de afdeling, 14,8% elders in het ziekenhuis. Het tijdstip van deze meest pijnlijke suïcide varieerde van enkele dagen tot 58 maanden voor het invullen van de vragenlijst, met een gemiddeld tijdsinterval van 20 maanden. De methodes van suïcide varieerden als volgt: verhanging 40%, defenestratie
19%, auto-intoxicatie 13%, verdrinking 9%, snij/steekwonde 4%, CO-intoxicatie 2,5%, vuurwapen 1% en andere 11,5%. 29% van de betrokken assistenten zag zelf het lijk van de patiënt.
Op de vraag in welke mate men vindt dat deze specifieke suïcide te voorspellen was, antwoordt 10,1% met helemaal niet, 51,9% met in beperkte mate en 32,9% met in grote mate.13,9% denkt dat de suïcide helemaal niet te voorkomen was, 65,8% in beperkte mate en 12,7% in grote mate.
In de vrije tekstcommentaar werd aangegeven waarom deze suïcide als meest pijnlijk ervaren werd.Voor sommigen was het de enige suïcide.Voor anderen, die meer dan één zelfmoord hadden meegemaakt, was het vaak de eerste die de meeste invloed had gehad, hoewel anderen ook vermeldden dat volgende suïcides even pijnlijk werden ervaren en er dus geen gewenning optrad. Sommige artsen die betrokken waren bij de reanimatiepoging, vermeldden dit als pijnlijk element. Voor sommigen was de confrontatie met het lijk traumatisch. Belangrijke elementen die frequent werden vernoemd, waren de graad van contact met de patiënt en de duur van de behandeling, en het gevoel een goede arts-patiëntrelatie te hebben gehad of juist een zeer moeilijk contact. Een suïcide van een patiënt die men zelf behandelde, had een grotere impact. Jonge leeftijd, hogere intelligentie en aspecten van de gezinssituatie van de patiënt bleken naast invoelbaarheid van de problematiek belangrijke factoren. Frequent werd vermeld dat het gebeuren erg onverwacht was, of dat de suïcide ondanks extra waakzaamheid toch had kunnen gebeuren.Vele assistenten kampten nadien met schuldgevoelens en stelden hun eigen competentie in vraag. Verschillende assistenten vermeldden dat de suïcide tijdens hun vakantie was gebeurd.Verder bleken ook sommige gebeurtenissen na de zelfmoord en het gebrek aan steun in de werkomgeving een belangrijke invloed te hebben.Vaak hadden de assistenten zelf de familieleden van de patiënt opgevangen.Vele assistenten vermeldden als pijnlijk element dat er na het gebeuren geen of te weinig debriefing was, met name een teambespreking of gesprek met de supervisor hierover. Enkelen waren betrokken in een proces wegens aansprakelijkheid.
Gevolgen van de suïcide
Slechts 5% van de assistenten die een suïcide hadden meegemaakt, waren zich nadien bewust van enige verslaggeving in de pers hierover. 3 van de 4 assistenten bij wie dat het geval was, vonden deze verslaggeving pijnlijk. 54% was helemaal niet verontrust door de mogelijkheid van gerechtsvervolging, 29% in beperkte mate.
In 76% van de gevallen werden de assistenten niet betrokken in een gerechtelijk onderzoek. Voor slechts 2,5% had dit onderzoek een negatieve tot zeer negatieve impact. Bij 4 respondenten was er sprake van interne disciplinaire maatregelen. Slechts 2 respondenten werden nadien gerechtelijk vervolgd. Wanneer het gebeuren nadien werd besproken in teamvergadering of op instellingsniveau (psychologische autopsie), werd dit meestal als positief ervaren, hoewel het voor 5% ook een negatieve invloed had. Velen vermeldden echter dat bespreking op een teamvergadering (24%) of op instellingsniveau (45,6%) voor hen niet van toepassing was. Dit geeft aan dat bespreking nadien toch vaak niet gebeurt of dat de assistent hierbij niet wordt betrokken. 17% woonde de begrafenis bij, en scoorde deze ervaring grotendeels als positief. Bijna niemand was ten gevolge van de suïcide afwezig op het werk.
De meeste assistenten bespraken het gebeuren met hun supervisor (83,5%), collega's-assistenten (72%), hun partner (80%) of hun eigen vriendenkring (58%). Familie, vrienden en collega's-assistenten hadden bijna altijd een positieve, steunende invloed. Supervisoren hadden bij 15% een zeer positieve en bij 28% een positieve invloed op het verwerken van het gebeuren, en bij 11% een negatieve en 4% een zeer negatieve invloed.
IMPACT VAN DE SUÏCIDE
15,2% rapporteerde dat de suïcide gedurende een tijd een negatieve impact had gehad op hun persoonlijk leven. Men vermeldde klachten van slapeloosheid, gedrukte stemming, eetlustvermindering en verminderd zelfvertrouwen, net als schuldgevoelens en flashbacks. 17,7% rapporteerde een negatieve impact op hun professioneel leven met faalangst, onzekerheid in verband met het inschatten van suïcidaliteit en een overdreven voorzichtigheid. Enkelen twijfelden aan hun beroepskeuze. 52% van de assistenten die een suïcide hadden meegemaakt, gaf aan dat deze ervaring hen hun beleid met betrekking tot de behandeling van suïcidale patiënten heeft doen aanpassen. Vele assistenten vermeldden na het gebeuren de mogelijkheid van suïcide te overwegen bij elke patiënt en frequenter naar suïcidaliteit te vragen. Anderen gingen na het gebeuren meer informatie opzoeken over preventie en risico-inschatting.
We trachtten de resterende impact van de als meest pijnlijk ervaren suïcide te bepalen aan de hand van een vertaling van de originele versie van de Impact of Event Scale(8). Er werd aan alle assistenten die een suïcide hadden meegemaakt, gevraagd om aan te geven in welke mate elk van de 15 items voor hen van toepassing was gedurende de 7 dagen voor het invullen van de vragenlijst. Hierbij had 7% een klinisch significante score op de vermijdingssubschaal en 12% op de intrusiesubschaal. Wanneer de scores op beide subschalen werden samengeteld, haalde 18,5% een klinisch niveau.
Geen van de potentiële determinanten die werden onderzocht (o.a. aantal jaren ervaring, patiënt al dan niet in eigen behandeling, tijd verstreken sinds de suïcide, suïcidemethode, het al dan niet gezien hebben van het lijk en voorspelbaarheid en voorkombaarheid van de specifieke suïcide) was significant gerelateerd aan de vermijdingsscore. De score op de intrusiesubschaal was wel significant gerelateerd aan het feit of de patiënt onder eigen behandeling was van de assistent en de ervaren voorkombaarheid van de specifieke suïcide.
Zoals verwacht, bleek de groep van respondenten uit de volwassenenpsychiatrie significant meer suïcides te hebben meegemaakt (gemiddeld: 2,2) in vergelijking met de groep uit de kinderpsychiatrie (gemiddeld: 1,3).
Er blijkt geen verband tussen het geslacht van de assistent en de impact van de suïcide, zowel onmiddellijk na het gebeuren als op het moment van bevraging, of de persoon bij wie men steun zoekt na de suïcide. Verder vonden we geen significant verband tussen het al dan niet steun gevonden hebben bij supervisor, partner en familie en de impact op persoonlijk of professioneel gebied. Ook was er geen significant verband tussen het aantal jaren ervaring en de algemene opvattingen over voorspelbaarheid en voorkombaarheid van suïcide, noch met de opvattingen hierover betreffende de meest pijnlijke suïcide.
Of de respondent al dan niet een opleiding had gekregen over risico-inschatting had geen verband met de impact van de suïcide of met de algemene opvatting over suïcide.
We probeerden na te gaan welke factoren een mogelijk verband hadden met het veranderen van het klinisch beleid na een suïcide. Respondenten die na de suïcide een nadelige impact vermeldden op hun persoonlijk leven, waren meer geneigd om hun beleid aan te passen, maar dit verband konden we niet terugvinden bij mensen die een professionele impact vermeldden.
Ook de algemene opvatting over voorspelbaarheid van suïcide houdt verband met het veranderen van het beleid. Wanneer men als algemene opvatting heeft dat suïcide niet of weinig voorspelbaar is, is men meer geneigd zijn klinisch beleid te veranderen na een suïcide. Dit verband gaat echter niet op voor de algemene opvatting over voorkombaarheid van zelfmoord, en over voorkombaarheid en voorspelbaarheid van de specifieke suïcide.
Vrije commentaar
Vele assistenten onderstreepten het belang van steun door supervisor en collega's na een suïcide, en van een nabespreking in het team met als doel emoties en meningen te kunnen uiten.Vooral het uitwisselen van eigen ervaringen met suïcide met de supervisor of collega's bleek steeds als erg steunend te worden ervaren.
Heel wat assistenten voelden zich er na de suïcide alleen voor staan, omdat ze zowel de familie van de patiënt als medepatiënten en teamgenoten dienden op te vangen zonder steun van hun supervisor. Enkelen vermeldden dat er na het gebeuren helemaal geen bespreking was geweest met het team en/of de supervisor, of dat ze op deze bespreking niet werden uitgenodigd. De assistent voelde zich gesteund wanneer de supervisor actief betrokken was na de suïcide, bijvoorbeeld door een gesprek te hebben met de assistent en de familie van de patiënt. Bij sommigen was er vraag naar een nabespreking van de casus, zoals een psychologische autopsie, om uit het gebeurde te kunnen leren.
Ook was er vraag naar informatie, bijvoorbeeld over het gerechtelijke onderzoek en/of vervolging na een suïcide. Velen stelden de vraag naar een of andere vorm van protocol, zodat men weet wat te doen, wie te verwittigen enzovoort wanneer men op de afdeling een patiënt aantreft die zelfmoord heeft gepleegd. Enkelen stelden het belang van een protocol in vraag en legden meer de nadruk op klinische intuïtie en ervaring. Velen vroegen zich ook af hoe om te gaan met appellerende suïcidanten en medepatiënten wanneer de suïcide op een afdeling gebeurt.
Verder werd het belang van contact met de nabestaanden benadrukt. Ook contact met de behandelende huisarts en eventuele andere hulpverleners werd door de respondenten als steunend ervaren.
DISCUSSIE
De resultaten van deze enquête tonen aan dat 69% van de assistenten die de vragenlijst terugstuurden tijdens hun opleiding reeds geconfronteerd werden met de suïcide van een patiënt. Als we ervan zouden uitgaan dat alle niet-respondenten nog niet met een suïcide werden geconfronteerd, dan zou toch nog 48% van de psychiaters in opleiding reeds een suïcide hebben meegemaakt.
Wanneer we onze resultaten vergelijken met die uit het onderzoek van Dewar(5) e.a. blijkt dat het antwoordpercentage in onze studie iets lager is (70% t.o.v. 81% bij Dewar(5)), maar het aantal respondenten van vergelijkbare grootteorde (114 t.o.v.103). Er is wel een belangrijk verschil in het aantal jaren ervaring in de psychiatrie (van 1 tot 6 jaar ervaring in onze studie ten opzichte van 3 tot 13 jaar ervaring in de Schotse studie). Ondanks dit verschil in aantal jaren ervaring tussen de beide onderzoeksgroepen, werden de assistenten in Vlaanderen niet minder geconfronteerd met suïcide. 43,9% t.o.v. 47% rapporteerden de suïcide van een patiënt die bij hen in behandeling was, en 57% t.o.v. 40% waren van nabij betrokken bij de suïcide van een patiënt die niet door hen werd behandeld.
Opmerkelijk is wel dat de assistenten in Vlaanderen blijkbaar heel wat minder opleiding kregen over suïcide, zowel over de inschatting van het risico op suïcide (43,9% t.o.v. 96%) als over aspecten en praktische zaken die moeten in overweging worden genomen na de suïcide van een patiënt (9,6% t.o.v. 28%).
Uit de vrije commentaar van de assistenten blijkt dat er een grote vraag bestaat naar een dergelijke opleiding. Aan de opleiding over risico-inschatting is er de laatste jaren wel aandacht gegeven, wat blijkt uit het hogere percentage opleiding hierover (60%) wanneer men enkel de eerste- en tweedejaarsassistenten bekijkt.
In vergelijking met Schotland rapporteren de assistenten in Vlaanderen minder negatief effect op hun persoonlijk leven (15,2% t.o.v.31%) en op professioneel gebied (17,7% t.o.v.39%), hoewel dezelfde methodologie werd gebruikt. We vonden in het betreffende artikel echter geen gegevens terug over het tijdsinterval tussen de suïcide en het invullen van de vragenlijst. Heel wat assistenten die geen negatieve impact op hun professioneel leven aangaven, vermeldden in de vrije commentaar wel dat ze na de suïcide minder zelfzeker waren geweest bij het inschatten van suïcidaliteit, en een tijdlang eerder defensief reageerden; zo namen ze sneller beschermende maatregelen zoals opname op een gesloten afdeling bij het uiten van suïcidaliteit. Anderzijds vermeldde men na het gebeuren meer alert te zijn voor suïcidaliteit en het sneller bespreekbaar te stellen bij de patiënt, net als het medicatiebeleid aan te passen bij suïcidale patiënten of meer aandacht te besteden aan de uitbouw van een steunend netwerk bij ambulante patiënten.
De scores op de IES lagen in de lijn van de beperkte impact die de respondenten aangaven op hun persoonlijk leven. De scores op de IES liggen in onze groep lager met 18,5% klinisch significante scores ten opzichte van 29% bij de respondenten van Yousaf(6). Het gemiddelde tijdsinterval tussen suïcide en het invullen van de vragenlijst was 20 maanden voor onze studie, ten opzichte van 27 maanden, hetgeen duidelijk geen verklaring biedt voor het verschil in impact. In de studie van Yousaf6 wordt wel gevraagd retrospectief de IES in te vullen voor de tijd onmiddellijk na de suïcide en bij het invullen van de vragenlijst. Mogelijk houdt het retrospectief invullen van de IES een bias in die nog een invloed kan hebben op de score op de IES op het moment van het invullen van de vragenlijst.
De literatuur over post-suïcidemanagement is eerder beperkt. Hodelet en Hughson(9) geven in hun artikel aanbevelingen over wat een arts dient te doen na suïcide van een patiënt, met name vooral wanneer het een gehospitaliseerde patiënt betreft. Naast de initiële verplichtingen zoals een bespreking met de familie, verwittigen van de politie, teambespreking en bespreking met team en medepatiënten, verslaggeving in het dossier en aan de ambulante behandelaars, benadrukken ze ook het belang van steun zoeken voor zichzelf. Psychiaters blijken naast de steun van eigen partner en familie het meest gebaat te zijn met formele en informele gesprekken over de suïcide met collega's. Ook beklemtonen ze het nut van de psychologische autopsie, die het team kan helpen om de suïcide te zien in haar context. Hierbij is het van belang dit pas enige tijd na het gebeuren te doen en zorgvuldig de extremen van schuldinductie en witwassen te vermijden.
CONCLUSIE
Deze studie bevestigt buitenlandse bevindingen dat het meemaken van de zelfmoord van een patiënt geen zeldzaam gebeuren is in het verloop van de opleiding tot psychiater. 69,3% van de assistenten psychiatrie die de vragenlijst terugstuurden, had de suïcide van een patiënt meegemaakt. 44% werd geconfronteerd met de suïcide van een eigen patiënt en 57% was van nabij betrokken bij de zelfmoord van een patiënt die niet hoofdzakelijk door hen werd behandeld. In vergelijking met andere onderzoeken, lijkt de impact van het gebeuren bij assistenten psychiatrie in Vlaanderen minder uitgesproken. Ondanks de vergelijkbare frequentiecijfers werden assistenten psychiatrie in Vlaanderen minder opgeleid over dit onderwerp in vergelijking met hun collega's in het buitenland.
Meer aandacht voor suïcide en de impact ervan in de opleiding lijkt ons derhalve wenselijk. Daarbij zijn een veilig werkklimaat en een actieve houding van arts-assistent en supervisor belangrijk(10).
----------
NOTES
1. Chemtob C.M., Hamada R.S., Bauer G., e.a. (1988). Patients'suicides: frequency and impact on psychiatrists. Am.J.Psychiatry, 145(2), 224-228.
2. Alexander D.A., Klein S., Gray N.M., e.a. (2000). Suicide by patients: questionnaire study of its effect on consultant psychiatrists. British Medical Journal, 320 , 1571-1574.
3. Brown H.N. (1987). Patient suicide during residency training: incidence, implications and program response, Journal of Psychiatric Education, 11(4), 201-216.
4. Courtenay K.P., Stephens J.P. (2001). The experience of patient suicide among trainees in psychiatry. Psychiatric Bulletin, 25, 51-52.
5. Dewar I., Eagles J., Klein S., e.a. (2000). Psychiatric trainees' experiences of, and reactions to, patient suicide. Psychiatric Bulletin, 24, 20-23.
6. Yousaf F., Hawthorne M., Sedgwick P. (2002). Impact of patient suicide on psychiatric trainees. Psychiatric Bulletin, 26, 53-55.
7. Koslowska K., Nunn K., Cousens P. e.a. (1997). Adverse experiences in psychiatric training. Part 2. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, 31, 641-652.
8. Horowitz M.J., Wilner N., Alvarez W. (1979). Impact of Event Scale: a meadure of subjective stress. PsychosomaticMedicine, 41, 209-218.
9. Hodelet N., Hughson M. (2001). What to do when a patient commits suicide. Psychiatric Bulletin, 25, 43-45.
10. Kolthof H.J., Schutter N., Hoencamp E. (2000). Hoe kunnen psychiaters in opleiding omgaan met de emotionele aspecten van agressie en suïcide? Tijdschrift voor Psychiatrie, 42, 117-120. Campbell C., Fahy T. (2002). The role of the doctor when a patient commits suicide. Psychiatric Bulletin, 26, 44-49. Kaye N.S., Soreff S.M. (1991). The psychiatrist's role, responses and responsabilities when a patient commits suicide. Am.J.Psychiatry, 148(6), 739-743.
---------
RÉSUMÉ:
IMPACT DU SUICIDE DE PATIENTS SUR LA VIE PRIVÉE ET PROFESSIONNELLE DES ASSISTANTS EN PSYCHIATRIE
Au cours de leur formation et, par la suite, de leur pratique professionnelle, de nombreux psychiatres sont confrontés au suicide de patients. L'impact de cet acte sur leur vie privée et professionnelle est souvent important.
En mars 2001, un questionnaire a été envoyé aux 163 assistants en psychiatrie en formation en Flandre. Il portait sur les expériences vécues par rapport au suicide de patients et la formation reçue en matière de suicide de patients et comportait une liste de questions permettant de mesurer l'impact du suicide. 114 assistants ont complété le formulaire, soit un taux de réponse de 70%. 69,3% d'entre eux ont indiqué avoir vécu le suicide d'un patient au cours de leur formation. 15,2% ont précisé que cet événement avait eu une influence négative sur leur vie privée, 17,7% ont fait état d'une répercussion négative sur leur vie professionnelle. Seuls 9,6% des assistants ont reçu une formation portant sur le suivi après suicide d'un patient.
La présente étude confirme les résultats d'études étrangères en ce sens que le suicide d'un patient n'est pas un fait rare au cours de la formation des psychiatres. En comparaison avec les données de ces études, l'impact dans l'enquête belge est plutôt faible.
----------
REVUE HOSPITALS.BE
NUMÉRO: 03 - VOLUME 2
OCTOBRE-NOVEMBRE-DÉCEMBRE 2004
|